Print pagina

Jan Jonker: organisatie-ecologie voor duurzaamheid kan impasse doorbreken - TQ©


6 februari 2012

Schaarste verbindt duurzaamheid met organiseren
Radicale duurzaamheid
‘Inefficiënt gebruik en vervuilen is goedkoper’
Naar een ecologie van organisaties voor duurzaamheid

Na decennia lang praten over duurzaamheid zijn we nog amper bezig met de organisatorische implementatie ervan. “We komen niet verder dan een waterbesparingsplan en het indraaien van energiezuinige lampen. En dat sluit niet aan bij de urgentie en de toename van de vraagstukken rondom duurzaamheid. De huidige situatie is te benoemen als een zichzelf in stand houdende impasse van suboptimaal georganiseerde duurzaamheid op individueel organisatieniveau. Gezien de ernst van de zaak is dit meer dan zorgelijk”, aldus Jan Jonker in zijn oratie als hoogleraar Duurzaam Ondernemen. Hij pleit ervoor de impasse te doorbreken door organisaties te stimuleren duurzaamheid samen te organiseren, waardoor de focus verschuift van organisatiekunde naar samenwerkingskunde. Jonker stelt in zijn oratie ook ons economische model ter discussie, omdat dit volgens hem zorgt voor ecologische degradatie, aanleiding geeft tot het in stand houden van ongelijkheid en zorgt voor erosie van het broodnodige sociale kapitaal. Hij hoopt op een ‘denkverschuiving’ naar een (wereld)gemeenschap waarin meer dan alleen economische waarden leidend zijn.
Prof.dr. Jan Jonker is sinds 1 januari 2011 hoogleraar Duurzaam Ondernemen bij de Nijmegen School of Management aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Op 10 november 2011 hield hij zijn oratie met als titel: ‘Duurzaam ondernemen: naar een organisatie-ecologie met het oog op duurzaamheid’. TQC maakte een samenvatting van zijn rede.

Schaarste verbindt duurzaamheid met organiseren
Duurzaamheid werd voor het eerst onderwerp van beleid in 1987 met het wereldberoemde Brundtlandrapport Our Common Future, gemaakt door 1200 mensen in 900 dagen. Met dit rapport kwam duurzaamheid op de politieke agenda van de VN en EU. In dat rapport staat de meest geciteerde definitie van duurzaamheid tot nu toe: ‘duurzame ontwikkeling is ontwikkeling die aansluit op de behoeften van het heden zonder het vermogen van toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien, in gevaar te brengen’. De kern is dat duurzaamheid bij het menselijk handelen altijd gaat om het zoeken naar evenwicht tussen het sociale en het ‘natuur’ aspect, tussen behoeftes en waarden, tussen nu en de toekomst. En het gaat natuurlijk om de vraag hoe je als maatschappij met deze vraag, met dit evenwicht, omgaat - om vervolgens de vraag te stellen hoe je daar in beleid en strategie vorm aan geeft.

Wie zich met duurzaamheid bezighoudt, staat voor het besef van een groeiende schaarste, gevoed door onze manier van organiseren omdat die een toenemende schaarste aan bronnen veroorzaakt. Bronnen die we nodig hebben om te organiseren. Op die bronnen staat ook druk, omdat een groeiend aantal mensen in deze wereld gebruik maakt van dezelfde eindige bronnen. Duurzaamheid is daarmee niet een onderwerp op zich, maar een thema dat overal met organisaties en het organiseren verweven is. De vraag is of de definitie waar het duurzaamheidsdebat een kwart eeuw terug mee begon, nog wel past bij de ontwikkelingen die zich ondertussen hebben voorgedaan. Jan Jonker heeft daar zijn twijfels bij.
Top

Radicale duurzaamheid
Geen enkel zichzelf respecterend bedrijf kan het zich permitteren geen aandacht aan duurzaam ondernemen te besteden. Meestal doen bedrijven dat aan de hand van het concept ‘People, Planet, Profit’. Het lastige van deze drie P’s is dat het conceptueel dwingt te denken in gescheiden werelden. En dat stelt de vraag aan de orde welk deel van de organisatie ‘duurzaamheid’ organiseert. Zitten we langzamerhand niet aan het einde van de levenscyclus van dat concept? We zijn toe aan iets nieuws, iets wat duurzaamheid niet alleen helpt agenderen, maar ook echt organiseren. Recent is een nieuwe norm voor duurzaam organiseren gelanceerd: het internationaal erkende ISO 26000, een concept dat schoorvoetend duurzaamheid breder ziet dan de eigen organisatie. Jonker vindt dat ondanks alle positieve impulsen die van deze concepten uitgaan, beide toch nog weinig te maken hebben met het organiseren van een wat ‘radicalere’ duurzaamheid, een met meer volume, meer impact en meer snelheid.
Volgens hem gaat dat met het klassieke organisatie-denken niet lukken. Dat denkkader laat te weinig ruimte om anders, out of the box te denken. Oplossingen blijven daardoor noodgedwongen vaak oppervlakkig en ‘meer van hetzelfde’.
Top

‘Inefficiënt gebruik en vervuilen is goedkoper’
Aan de hand van drie voorbeelden illustreert Jan Jonker de noodzaak tot duurzaam organiseren. Als eerste noemt hij de IPAT-formule. Deze staat voor de impact van de mens, uitgedrukt in de groei van de populatie, de stijging van de welvaart (affluence), uitgedrukt in groei van het BBP en tenslotte in de sfeer van technologie, uitgedrukt in het aantal patent aanvragen. In de vorige eeuw groeide de wereldpopulatie van 1,8 (1900) via 2,5 (1960) naar 7 miljard in 2000; het aantal patentaanvragen groeide van 141.000 via 412.000 naar 1,9 miljoen en tenslotte groeide het BBP van 2 biljoen via 5,3 biljoen naar 55 biljoen.
Het tweede voorbeeld is de exponentiële groei van de vijf klassieke grondstoffen: water, olie, ijzererts, kolen en fosfor. Wanneer ze vertaald worden naar een huishouden, een gemeente of een kantorencomplex en door de tijd heen gemeten worden, dan is het beeld stabiel: we gaan van meer naar meer. Exponentiële groei leert dat we de komende zestien jaar met (tenminste?) een verdubbeling van de wereldeconomie te maken hebben (uitgaande van een economische mondiale groei van 4,5 procent). In de komende zestien jaar gaan we dus twee keer zoveel grondstoffen gebruiken, tenzij we onze manier van organiseren radicaal veranderen.
Derde argument voor de noodzaak tot duurzaam organiseren is volgens Jonker de vervuiling en uitputting die wij veroorzaken, met een breed scala aan voorbeelden: van de uitputting van grondstoffen en fossiele brandstoffen, de ‘plastic soep’ in de oceaan, verzuring, ontbossing en armoede (inclusief honger, migratie, ziekte, conflicten), tot het verlies aan sociaal kapitaal en een gebrek aan betrokkenheid bij de omgeving.

Maar volgens Jan Jonker is de echte kern van de noodzaak tot duurzaam organiseren gelegen op een hoger niveau. Deze kern is tweeledig. De ene is een uiterst inefficiënt – zeg maar rustig nonchalant – gebruik van grondstoffen waar steeds meer mensen een beroep op doen. De andere is dat de sociale en ecologische kosten die dat gebruik met zich meebrengen, niet meegewogen worden - ze staan niet op de balans. Kennelijk is inefficiënt gebruik en vervuilen goedkoper dan radicale efficiëntie en schoon werken.
Besef hiervan zorgt voor een ‘denkverschuiving’ waarin we ons economische model ter discussie stellen. Omdat dit model zorgt voor ecologische degradatie, aanleiding geeft tot het in stand houden van ongelijkheid en de erosie van het broodnodige sociale kapitaal. Een denkverschuiving naar een (wereld)gemeenschap waarin meer dan alleen economische waarden leidend zijn. Waarin materie cyclisch in de productie- en waardeketens blijft. Waarin we circulair gaan organiseren en produceren. Een heel lastige opgave, verzekert Jan Jonker.
Top

Naar een ecologie van organisaties voor duurzaamheid
Om echte duurzaamheid te ontwikkelen, zouden organisaties meer moeten gaan samenwerken. Volgens Jan Jonker is het alleen mogelijk om samen duurzaamheid te realiseren, door andere en vooral nieuwe concepten voor samenwerking te ontwikkelen. Dat vraagt om innovatie binnen, maar meer nog tussen organisaties. Hij pleit voor ‘een ecologie van organisaties met het oog op duurzaamheid’: een netwerk van samenwerkende organisaties om collectief - en ten gunste van elkaar - duurzaamheid te realiseren. Focus is samenwerken op basis van gedeelde waarden en doelen, gekoppeld aan onderling afhankelijke waardecreatie. Een ‘ontzettend ingewikkelde opgave’, erkent Jonker.

Kenmerken voor zo’n nieuwe organisatorische ecologie zijn het afwezig zijn van een duidelijk machtscentrum en van een vaste structuur, en dat de organisatie gebaseerd is op de kracht van diversiteit en polyfonie. Bindend is gedeelde ambitie en vertrouwen, en veel minder positie. En dat alles in een context die ruimte biedt voor het doorlopend gemeenschappelijk ontwikkelen van gemeenschappelijke en noodzakelijk innovatieve antwoorden op complexe vraagstukken, waarvan duurzame ontwikkeling er één is. Een voorbeeld van die nieuwe vorm van organiseren is het in mei 2011 afgesloten Our Common Future 2.0-project, waarbij vierhonderd mensen in korte tijd een toekomstvisie op duurzaamheid hebben ontwikkeld.

Als organisaties intensief zouden samenwerken aan een gemeenschappelijk doel, creëren zij meer waarde dan ze individueel ooit zouden bereiken. Op deze manier organiseren impliceert een echte denkverschuiving, een transitie. Een waarvan we de consequenties in ons organisatorische denken en handelen nauwelijks nog kunnen overzien. Feitelijk hebben wij daar geen goede organisatiekundige concepten voor en we weten ook niet hoe we daaraan leiding moeten geven. Maar willen we als maatschappij, als organisatie, duurzaamheid realiseren, dan zullen we moeten exploreren en er samen de schouders onder zetten. Jan Jonker ziet het onderzoek van de komende jaren in het teken staan van het leveren van een vooral theoretische en daar waar passend praktische bijdrage aan een moderne bedrijfskunde: een organisatie-ecologie voor duurzaamheid.
Top

Bron: Radboud Universiteit Nijmegen


Terug