Print pagina

'Managementwetenschappen hebben gebrek aan toegevoegde waarde’


Concrete maatregelen
Onderzoek moet onafhankelijk blijven
Opvattingen over de kloof tussen managementwetenschap en praktijk

Het probleem van gebrek aan relevantie van de managementwetenschappen is reëel. Het wordt door velen onderkend. Het is noodzakelijk een koerswijziging in te zetten of voort te bouwen op wat er al aan alternatieve benaderingen bestaat. Wetenschappers en wetenschappelijke instellingen die doorgaan hun koers te laten afhangen van tactisch gedrag binnen de wetenschap, brengen hun eigen toekomst in gevaar door gebrek aan toegevoegde waarde voor de samenleving. Ze kunnen beter een strategie ontwikkelen gebaseerd op interactie tussen fundamentele kennisontwikkeling en praktijk. Dat zegt prof.dr. Arnold Godfroij in zijn afscheidsrede ‘De betekenis van de managementwetenschappen voor de praktijk’ aan de Radbouduniversiteit Nijmegen.
TQC publiceert in dit artikel een samenvatting van zijn rede.

Concrete maatregelen
Volgens prof. Godfroij zit het grootste probleem in de dominantie van een denkmodel en methodologie die niet voldoende aansluiten bij de aard van de sociale werkelijkheid. Die aansluiting is te verbeteren door het herstellen en versterken van de interactie tussen kennisinstellingen en omgevingsactoren. Dat kan gebeuren binnen relevante projecten, door het instellen van klankbordgroepen dichtbij de onderzoeksgroepen. Daarmee kan de universiteit zichzelf dwingen om beter na te denken over de aansluiting bij wat er in de samenleving speelt. Het instellen van Raden van Toezicht zou een bijdrage kunnen leveren, maar is meer een perfectionering van het bestaande dan een andere aanpak. En dan noemt hij de mogelijkheid om het systeem van publicatiepunten af te schaffen. Velen zien dat systeem als een noodzakelijk kwaad en als een pervers systeem, omdat het het doel van fundamenteel en onafhankelijk onderzoek eerder belemmert dan ondersteunt.
Top

Onderzoek moet onafhankelijk blijven
Om tot een voldoende genuanceerd beeld van het vraagstuk te komen, interviewde hij 22 deskundigen. Over het geheel genomen vindt een duidelijke meerderheid dat er een te grote afstand is tussen wetenschap en praktijk op het gebied van management en bestuur. Maar over een ander punt is ook iedereen het eens: als je probeert de kloof te verkleinen, dan mag dat nooit betekenen dat de onafhankelijkheid van de wetenschap in de knel komt. Ook toegepast onderzoek of opdrachtonderzoek moet onafhankelijk zijn.
Top

Opvattingen over de kloof tussen managementwetenschap en praktijk
Veel respondenten zien de relatie tussen wetenschap en praktijk op zijn minst als zorgelijk. Prof. Godfroij vermoed daarom dat je bij een grotere steekproef een vrij duidelijk verband vindt tussen de positie van de respondent en zijn visie. Opvallend is dat de wetenschappers de relatie met de praktijk als het minst problematisch zien, de praktijkmensen iets meer, en de intermediairs het meest.
De visies over de kloof tussen managementwetenschap en praktijk verdeelt prof. Godfroij in drie groepen.

Opvatting 1: Er is een flinke kloof, en dat zou anders moeten.
De managementwetenschappen weten onvoldoende in te spelen op vraagstukken
in de samenleving. Prof. Godfroij geeft hierover in zijn rede enkele citaten uit de interviews:

‘Waar zijn de wetenschappers? Waar zijn de studenten? Wetenschappers zitten veilig in hun ivoren toren. En er zijn te veel managers die te weinig doen om hun kennis op peil te brengen of te houden. Het zou verplicht gesteld moeten worden om meer in zichzelf te investeren’.

‘De praktijk wordt niet meer gevoed door de wetenschap. De wetenschap is dus geen relevante speler meer.’

‘De mensen op de faculteiten en de mensen in de praktijk, dat zijn twee gescheiden practices. De ene groep die op basis van ervaring werkt en de andere groep die daar soms door een heel klein gaatje naar kijkt en verder zijn eigen redeneringen ophangt.’

‘Ik zie eigenlijk twee dingen: Steeds meer quick en dirty onderzoek, waardoor je steeds verder afdrijft van je wetenschappelijke roots, maar wel veel geld binnenhaalt. Dat leidt tot weinig doordachte interventies. Daar krijg je later de rekening voor gepresenteerd. Ik zie ook dat er eigenlijk te weinig wetenschappelijk geïnvesteerd wordt in dit soort onderwerpen, omdat dat in de tijdschriften niet goed bekt.’

‘Het onderzoek aan de universiteiten op het gebied van management en organisatie is op
een doodlopende weg terecht gekomen.’

Opvatting 2: Er is wel een kloof, maar dat geeft niet
De geïnterviewden die deze mening zijn toegedaan, zien wel een flinke afstand tussen wetenschap en praktijk, maar vindt dat helemaal niet zo erg. Managers en wetenschappers doen ieder hun eigen ding, en weten in het algemeen wel hoe ze dat moeten doen. De één houdt zich bezig met managen en besturen, de ander met kennis ontwikkelen. Die moeten zich niet te veel laten leiden door de belangen van opdrachtgevers.

Citaten met deze opvatting:
‘Je moet niet allerlei dingen gaan onderzoeken die niet aansluiten bij een bedrijfspraktijk. Maar dat wil niet zeggen dat die wetenschapper alles moet vertalen in iets wat de managers allemaal begrijpen. Hij mag best binnen het wetenschappelijk discours blijven.’

‘Het is soms wel esoterisch. Dat is niet per se hobbyistisch. Erg is dat niet. Behalve voor mensen die er geld aan geven met de verwachting dat het een algemeen nut dient. Terwijl het dat niet doet.’

‘Die kloof is in zekere zin onvermijdelijk en ook wel goed. De vraag is: wie betaalt het onderzoek? Het belangenperspectief van degene die het onderzoek betaalt kan de onafhankelijkheid beperken. Door de afstand die er is, kun je als onderzoeker ook vanuit andere gezichtspunten onderzoek doen.’ Echter: ‘Er zit wel een bias in die top. We vernieuwen onvoldoende. Er zijn maar kleine groepjes die ergens verstand van hebben. Die zijn dus heel tevreden over zichzelf, maar het raakt losgezongen van de rest van de samenleving. Je hoort steeds meer dat de onderzoekers dat zelf gaan ervaren als een kloof... Er wordt toch wel meer gelet op een verbreding van invalshoeken. Maar het is nog maar een begin.’

‘Je weet gewoon niet of iets later maatschappelijk relevant zal worden. De hele eeuw welvaartseconomie is misschien wel een nutteloze exercitie geweest. Ik weet niet wat dat heeft opgeleverd. Maar het heeft in het denken van heel veel mensen een plekje gekregen. Waardoor ze ietsje anders zijn gaan redeneren over beleidseffecten of interventies. En of iets doorsijpelt is in ieder geval niet voorspelbaar. Je kunt zoiets niet plannen. Je betaalt iemand om onderzoek te doen, omdat je denkt dat hij dat wel kan.’

Opvatting 3: De kloof is niet zo groot
Deze visie komt erop neer dat van de managementwetenschap verwacht mag worden dat zij kennis en inzichten naar voren brengen die voor de praktijk van belang zijn, en dat dat in feite ook gebeurt. Er zijn tal van kanalen waarlangs de kennis in de praktijk terechtkomt en gebruikt wordt. Ik denk aan het onderwijs, aan opdrachtonderzoek en aan de intermediaire rol van de consultancy.

Twee voorbeelden:
‘Er is toch in de loop van de jaren heel wat onderzoek gedaan met een fundamenteel karakter over vraagstukken die in de praktijk leven, bijvoorbeeld over leiderschap of over structuurvraagstukken, of over allianties.’

‘Wat ik zie is dat verbindingen tussen praktijk en wetenschap, tussen kennisontwikkeling en toepassing toenemen, dat die overigens niet gestuurd worden door systematische programma’s: er zit hoge mate van toevalligheid in. Dat geldt ook voor de managementwetenschappen.’
Top

Bron: Radbouduniversiteit Nijmegen


Terug